Zwanenmossel

mei 2017

Grote mosselen langs de sloot, de meeste met kapotte schelpen: zwanenmosselen. Boven water gebracht door baggermachines en niet teruggeworpen door de werklui. Daar weten de meeuwen en reigers wel raad mee. Die prikken zo door hun dunne schelp heen. Eenmaal op de kant, sterft de zwanenmossel een wisse dood. Hij kan zich zelf maar een paar cm verplaatsen.

Zwanenmosselen zijn de grootste schelpdieren van Nederland. Ze kunnen wel 12 jaar en 20 cm worden, maar meestal halen ze dat niet. Dat baggeren is nodig, anders groeit de sloot dicht wordt die ook voor de mossel zelf onleefbaar. Ze leven op de bodem van heldere sloten en andere zoete wateren. Per dag pompen ze wel 50 liter water water door hun schelp heen en filteren er zo hun voedsel uit: algen en kleine waterdiertjes. Zo houden ze ook de sloot helder – reden dat ze ook verkocht worden in tuincentra voor de vijver thuis.

Waarom de zwanenmossel zwanenmossel heet, weet niemand. Door zwanen worden ze in elk geval niet gegeten. Wel eten ratten en muskusratten weleens een zoetwatermossel, die ze dan aan een kant openrijten en op de oever leegeten.

Er is ook een kleinere mossel die minder algemeen is: de schildersmossel. Hun schelpen zijn diep en stevig en werden door kunstschilders daarom gebruikt als natuurlijke verfbakjes.

Advertenties

Oranjetipje

mei 2017

Het oranjetipje is een vrij klein, wit vlindertje met opvallende oranje vleugelpunten, althans bij de mannetjes. Aan de uiterste rand zit dan weer een randje zwart. Bij de vrouwtjes ontbreken de oranje vleugeldelen. Het oranjetipje komt in heel Nederland voor maar ik zie hem het meest in bloemrijke weilanden of langs de bosrand in de duinen: het is een warmteminnaar. Jarenlang werd het oranjetipje altijd, geheel in lijn met de oranjekoorts, in de loop van april gezien, in de aanloop naar koningsdag. Maar door het warme voorjaarsweer van de laatste jaren verschijnen de mannetjes beduidend eerder, soms al eind maart. Dat kan problemen geven. De waardplanten waarvan het oranjetipje afhankelijk is, zijn dan nog niet allemaal volgroeid, zodat de rupsen niet voldoende voedsel kunnen vinden.

Het oranjetipje legt haar eieren op pinksterbloemen, look-zonder-look en andere kruisbloemigen en in tuinen ook wel op judaspenning. Eén eitje per bloem, want een rups heeft amper genoeg aan éen plant. Om voedseltekort te voorkomen heeft de natuur een feilloos mechanisme bedacht. De eitjes scheiden een geurstof af die andere vrouwtjes ervan weerhoudt nóg een eitje op de plant af te zetten. Mochten er tóch andere eitjes zijn afgezet, dan hebben die geen schijn van kans: die rupsjes worden zonder scrupules door de eerst uitgekomen rups opgegeten. De natuur is amoreel.

Kievitsbloem

mei 2017

Enthousiast mailtje van vriend en oud-collega Ed ’t Hart. Over de prachtige en zeldzame kievietsbloemen die hij en Martha hadden gezien in de Horsten. Toevallig had ik ze dezelfde week gefotografeerd in enkele Leidse parken. Begin april is altijd de tijd dat ze bloeien als het gras nog kort is zodat ze er met hun sierlijke stengels bovenuit steken.

Het is een soort hangende tulp, waarvan het ook familie is want beide horen tot de lelie-familie. Meestal zijn de bloemen paars, met een witgeblokt patroon er doorheen. Een enkele keer zie je er een geheel witte tussen. De vorm en het stoppelpatroon doet met veel goede wil denken aan een kievitsei, maar wie komt er nu in het echt nog een kievitsei tegen? En degene die er zijn, worden geroofd, las ik laatst.

De wilde kievitsbloem is hoogstwaarschijnlijk inheems, maar zeker is dat niet. Botanici hebben ze pas begin 19e eeuw ontdekt. “Een polder bij Leiden” was zelfs een van de eerste vindplaatsen. Oorspronkelijk is het een plant van natte graslanden maar door ontwatering, stadsuitbreiding en vermesting zijn er nog maar weinig van dat soort graslanden over.

Gelukkig zijn er bolletjes te koop in het tuincentrum. Als die in tuinen en parken worden aangeplant kunnen de planten gemakkelijk verwilderen. Ongetwijfeld zijn ze zo ook in de Horsten terecht gekomen, daar verwed ik een kievitsei onder.

Vogeltje-op-de-stok

mei 2017

“Weet jij hoe dat plantje heet?”, vroegen twee buurvrouwen die ik in het bos tegenkwam. Ze weten dat ik veel van vogels weet, en dat ik dan ook de planten wel zal kennen, maar helaas is dat niet zo. Ze wezen op een klein plantje met mooie paarse, afhangende bloemen dat pal naast het schelpenpad stond.  “Vogeltje-op-de-stok”, zei ik, want dat had ik indertijd op de IVN-natuurgidsencursus geleerd van Marian Kathmann, maar maar de echte naam schoot mij niet te binnen. Ik wees op de bloemen, vooral de uitgebloeide, die met enige fantasie op een zittend vogeltje lijken, of eigenlijk meer een kip op stok.

Thuis de plantengids erop nageslagen, en de plant al snel gevonden: Vingerhelmbloem, uit de papaverfamilie en dus familie van de klaproos en stinkende gouwe, al zien die er voor mij totaal verschillend uit.

Vingerhelmbloem groeit op losse, kalkachtige grond, dus dat kon kloppen naast dat schelpenpad.  In Nederland, aan de binnenduinrand, bereikt deze plant zijn meest noordelijke vindplaats. Het zaad zou dus meegevoerd kunnen zijn met de aarde die aan de schelpen kleefde om het pad te maken. Maar het zou evengoed een wilde plant kunnen zijn, die hier al eeuwenlang voorkomt. Ze bloeien vroeg, eind maart, begin april, en zetten dan zaad net voordat ze overwoekerd worden door hogere planten zoals het alomtegenwoordige fluitenkruid dat er vaak vlak naast staat.

Vleugellam

mei 2017

Sinds meer dan een jaar zit er een gewonde gans achter het Pesthuis van Naturalis. Zijn rechtervleugel zit in een vreemde hoek; de veren steken raar naar boven. Het zijn niet alleen de gebroken veren maar de hele vleugel, anders zat de gans na de rui alweer in een nieuw verenkleed. Misschien in aanvaring gekomen met een hoogspanningsmast? Verkeersslachtoffer? Aangeschoten door ganzenjagers en met zijn laatste krachten neergestreken in de stad van vluchtelingen?

Het is een brandgans. Deze lijkt wel wat op de Canadese gans, maar de Canadese is veel groter en heeft minder wit op zijn kop. Brandganzen zie je eerder in kwelders en grote polders vlak bij in de stad. Er zit een populatie van 20 a 21 stuks op de Tengnagel en verder zitten er veel tussen Zoeterwoude en Zoetermeer.

Hoe het beest daar komt, weet niemand. Naturalis zit er in elk geval niet achter en spreekt van “een logé”. De brandgans lijkt het overigens prima naar zijn zin te hebben. Hij (of zij?) heeft gezelschap van andere watervogels en leeft goed van het gras rondom het Pesthuis. De Dierenambulance adviseert dan ook de gans maar te laten lopen. In een dierenasiel of kinderboerderij zou hij misschien wel afgeslacht worden door soortgenoten. Buurtbewoners houden het dier goed in de gaten.

Chris Smeenk

april 2017

Donderdag 23 maart overleed de bekende Leidse bioloog Chris Smeenk. Hij was min of meer mijn buurman en de laatste jaren hadden we veel contact met elkaar over natuurbescherming in eigen buurt. Zijn CV leest als een spannend jongensboek. Met zijn broer op zondagochtend vogels spotten, maar als domineeszonen moesten ze vóór de preek in de dienst zijn! Biologiestudie in Leiden, (cum laude), vervolgens gepromoveerd op voedsel-ecologisch onderzoek tussen 5 Afrikaanse roofvogels, in Kenia op de horens genomen door een buffel. Zonder zijn vrouw Nellie zou hij dat niet overleefd hebben. Ze had nog nooit in een auto gereden, maar vervoerde hem naar de Flying Doctors, die hem naar het ziekenhuis in Nairobi vlogen voor een levensreddende operatie.

Terug in Nederland ging hij werken bij het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie (nu Naturalis) en specialiseerde zich in zeezoogdieren. Bij elke walvisstranding werd hij als deskundige betrokken. In totaal schreef hij honderden wetenschappelijke artikelen en enkele boeken. Hij maakte zich zorgen over de achteruitgang in biodiversiteit. Op zijn eigen rouwkaart schreef hij dan ook:  “Hij was dankbaar voor een leven in en met de natuur dat hij met velen mocht delen, maar tevens vol verdriet over de teloorgang van wat hem lief en dierbaar was.”

O ja, Chris sprak ook nog eens vloeiend Swahili en IJslands en was ook nog eens een begenadigd organist. Wat een verlies!

Horen is kennen

maart 2017

“Je kunt het niet uitzetten hè?”, vroeg de journaliste van het Leidsch Dagblad. We waren op vogelexcursie naar aanleiding van mijn nieuwe boek, gewoon vanuit huis, in het Bos van Bosman en Endegeest.

Veel vogels hoor je eerder dan je ze ziet, dus als gids ben je gespitst op elk geluid. “Vergelijk het met een radiozender die alleen maar bekende liedjes speelt maar dan in verschillende covers.”, antwoordde ik. Heel af en toe valt je een uitvoering op die je niet kent: zeker een nieuwe release.

Veel vogelaar beweren dat je vogelzang niet kan leren, behalve als je het op jonge leeftijd ingeprent hebt. Ik vind dat onzin. Een mens is nooit te oud om te leren. Zelfs op hoge leeftijd kun je de zang van vogels nog leren kennen. Wel gaat het gehoor achteruit met de leeftijd, vooral bij mannen en vooral na hun 60e. Dat is jammer voor al die pensionado’s de vogels met de hoogste tonen horen ze dan niet goed meer, wat leidt tot aanzienlijke lagere aantalschattingen bij vogelinventarisaties.

Op onze excursie telden we 32 vogelsoorten, waaronder een paar bijzondere, zoals de groene specht en de ijsvogel. Dat komt omdat de natuur hier zijn gang heeft kunnen gaan. Zodra je er recreatienatuur van gaat maken, is het met de rust gedaan en verdwijnen juist de bijzondere dieren en planten.

232

maart 2017

Een karper is een geliefde vis onder hengelaars. Karpers zijn groot en sterk en ze uit het water halen is daarom een uitdaging.  De karper is oorspronkelijk een exoot, afkomstig uit de landen rond de Zwarte Zee, de Kaspische Zee en het Aralmeer. Hij houdt van warm, stilstaand water waar hij zich voedt met waterdiertjes zoals insectenlarven, garnalen en wormen. Die zoekt hij door de bodem om te woelen met zijn sterke bek. Maar daardoor wordt het water troebel en gaat de biodiversiteit in het water achteruit: het zonlicht kan niet meer diep in het water doordringen, dus planten verdwijnen, enz. Om de waterkwaliteit te verbeteren worden dan ook weleens karpers en brasems (ook al van die bodemwoelers) uit het water gehaald en elders uitgezet, waar het geen kwaad kan.

Van nature kan een populatie karpers zich in Nederland niet handhaven. Misschien is ons klimaat ongeschikt of het water te koud; in elk geval planten zich hier nauwelijks voort. Om toch te kunnen karpervissen zetten hengelsportvereniging daarom regelmatig karpers uit; vaak kweekkarpers of karpers uit het buitenland. Twee weken terug zijn er nog 232 stuks uitgezet in wateren in en om Leiden. Ik vind dat idioot: vissen in het water loslaten met geen ander doel dan om ze er weer uit te hengelen, en dat in het oneindige.

Verkiezingen

maart 2017

Ook voor dieren is het verkiezingstijd. Mannetjesvogels stellen zich kandidaat voor de belangrijkste positie van hun leven: het exclusieve recht om een vrouwtje te mogen bevruchten, of liefst meerdere vrouwtjes. Daarvoor sloven ze zich behoorlijk uit. Winterkoningen bijvoorbeeld maken meerdere nesten, Het vrouwtje inspecteert die een voor een en kiest er ten slotte een uit. De bouwer van het nest heeft de hoofdprijs: nageslacht. Andere vogels doen dat ook met een zo mooi mogelijke zang. Zo proberen ze de aandacht van het vrouwtje te trekken.  Deze weken hoor je vooral de koolmezen heel veel. Eenvoudige liedjes, bestaande uit maar 2 of 3 noten, waarmee ze verbazend veel liederen kunnen maken. Een koolmeesman leert zijn leven land door en verrijkt zijn repertoire door de jaren heen.

Het vrouwtjes is enorm selectief in de partnerkeuze. Alleen het beste mannetje mag haar bevruchten. Hoe weet zo’n vrouwtje welk mannetje de beste kandidaat is? Door naar de songteksten te luisteren. Vrouwtjes hebben een duidelijke voorkeur voor koolmezen met zoveel mogelijk variatie in hun liederen. Dat zijn dus altijd de oudere mannetjes. Hoe ouder een koolmeesman, hoe aantrekkelijker hij dus is voor de vrouwtjes. Bij mensen is dat alleen voor de Rolling Stones weggelegd.

Veldgids vogelzang

maart 2017

Deze week verschijnt mijn nieuwe boek: de Veldgids Vogelzang, bij de KNNV uitgeverij. Het is de opvolger van twee eerdere boeken over vogelzang, die ik eigenlijk vooral voor mezelf had geschreven, om al die geluiden uit elkaar te houden.

Ik had wel verschillende vogelboeken, de een nog dikker dan de ander, maar die gaan allemaal over het verenkleed, en veel vogels laten zich nu eenmaal eerder horen dan zien. Verder is het zo dat veel vogels verschrikkelijk veel op elkaar lijken: er is een familie van groengele vogels die zonder verrekijker alleen op geluid te onderscheiden zijn.

Tijdens de IVN-natuurgidsencursus van 2000-2002 heb ik daarom veel kenmerken van vogelzang systematisch op een rijtje gezet en dat resulteerde in mijn eerste boek: Wat zingt daar? Ruim 100 Nederlandse vogels die vooral door hun geluid opvallen. Maar een mens vogelt door en komt in Europa ook andere vogels tegen. De nieuwe veldgids is daarom dubbel zo dik en in plaats van een cd komt er een gratis app bij met alle beschreven geluiden. Het was 13 maanden vrijwel full-time-werk maar het resultaat is prachtig. 10 maart ligt het boek in de winkel en zondag 12 maart komt het aan de orde in Vara’s Vroege Vogels.