Fama is dood

februari 2017

Precies een jaar geleden is ze voor het laatst gezien, bij Katwijk aan Zee. Wel keek meeuwenkenner Maarten van Kleinwee regelmatig naar haar uit bij de viskramen op de Nieuwe Rijn, waar ze zaterdags steevast haar kostje bij elkaar scharrelde.

Van Kleinwee is een van de weinigen die zich specifiek voor meeuwen interesseert. In Leiden gaat hij ’s winters op zoek naar meeuwen met een kleurring om de poot. Hij volgt daarbij een vast rondje, daar waar de meeste meeuwen zich ophouden. “Meeuwen zijn ontzettend tijd- en plaatstrouw, ze trekken altijd naar exact dezelfde plekken”. Dankzij jarenlange ringwaarnemingen is het levensverhaal van zo’n meeuw te volgen.

FAMA is in 1986 als kuiken geringd in de zilvermeeuwenkolonie in Meijendel met als code ZDGA (Zwarte D, Groene A). In 2015 is de meeuw opnieuw geringd met ringaanduiding FAMA. Fama bleek een echte kustmeeuw. Haar leven speelde zich af tussen Camperduin en de Brouwersdam. En op zaterdagen in Leiden, bij het scheiden van de markt.

Vorige week mocht ik mee met Maarten. We zagen meeuwen uit Nederland, maar ook uit Scandinavië, Frankrijk en Polen. Het leek wel een internationale conferentie. Maar Fama was er weer niet bij. “Dood?” “Na een jaar mag je conclusie wel trekken; 29 jaar oud is ze dus geworden.”

Streamer

Zelf een meeuw met een ring gezien? Meld het op https://www.vogeltrekstation.nl/nl/vogels/ring-gevonden

Winterakoniet

februari 2017

Trump verpest veel, zo niet alles, maar hij heeft gelukkig nog geen invloed op de natuur in Nederland. De vogels zingen, planten komen op; de kracht van de natuur kent geen grenzen. Neem nou de winterakoniet. Dat is een van de vroegst bloeiende planten; hij bloeit midden in de winter, soms dwars door de sneeuwlaag heen zoals we vorige week konden zien. Het is altijd een wedstrijdje met het sneeuwklokje wie het eerste bloeit.

Tot voor kort had ik nog nooit van de winterakoniet gehoord, maar het blijkt een soort uitvergrote versie van een boterbloem: 6 gele kroonbladeren en groene schutbladeren die hen als een kraagje tegen de kou beschermen. Ze kunnen goed tegen lage temperaturen, want oorspronkelijk komen ze uit zuid-Europese berggebieden, van Zuid-Frankrijk tot de Balkan. Honderden jaren geleden zijn ze in Nederland ingevoerd en aangeplant op landgoederen in Friesland, Groningen en in de Vechtstreek. Ze worden, net als krokussen, sneeuwklokjes en nog heel veel andere soorten tot de ‘stinzenflora’ gerekend. Een ‘stins’ is een Fries woord voor het ‘stenen huis’ dat op dat landgoed staat.

Inmiddels tref je ze in heel Nederland aan, doordat mensen ze aan elkaar doorgaven, maar ook omdat ze zich gemakkelijk uitzaaien. Hoewel dus eigenlijk een exoot, staat de winterakoniet inmiddels in alle plantenboeken inmiddels te boek als een inheemse plant: ruim geslaagd voor zijn inburgeringscursus dus.

Bloeiende hazelaars

februari 2017

Tijd om weer eens een boom op de kaart te zetten want de hazelaar bloeit! Boom is een groot woord, want de Corylus avellana is meer een struik. Aan de takken zie je momenteel mannelijke katjes hangen. Ze beginnen heel klein en grijsgroen, maar groeien bij de juiste temperatuur uit tot lange sliertjes, die geel kleuren van het vele stuifmeel. De hazelaar is een van de eerste planten die in het jaar in in bloei komt, midden in de winter zelfs. Het gaat heel snel: je ziet het gebeuren als je hazelaarstakken binnen in een bloemenvaas zet.

Als je een tak van een hazelaar beter bekijkt, zie je allerlei knoppen zitten. Uit sommige daarvan komen heel discreet allerlei rode stekeltjes tevoorschijn. Dat zijn de stampers van de vrouwelijke bloemen die het stuifmeel opvangen. De katjes en de stampers bloeien niet tegelijk, om zelfbestuiving te voorkomen. Daar komen ongelukkige of onvruchtbare nakomelingen van. De stampers vangen dus stuifmeel op van andere planten en bewaren dat een tijdje. De feitelijke bevruchting gebeurt pas in het begin van de zomer. Hieruit ontwikkelen zich dan weer de bekende hazelnoten, van die pasta, weet u wel? In het bekendste merk, Nutella, zit overigens veel meer suiker en palmolie dan hazelnoten.

Waarom zingen vogels? 

februari 2017

Volgens de kalender is het nog winter, maar de vogels maken zich al op voor de lente. Voorjaar: dat betekent broedseizoen en dat houdt weer in dat je een gebied moet afbakenen. Honden doen dat met geurvlaggen, mensen met schuttingen en tuinhekjes en vogels doen dat, zoals bekend, met zang.

Ze zingen niet omdat ze vrolijk zijn, of om God te loven met hun lied, maar om de buurman te waarschuwen. Dat-ie het niet in zijn kop haalt om in hetzelfde gebied te gaan nestelen! Zo’n eigen gebied is voor dieren van levensbelang. Het is een soort jachtgebied waar alleen de rechtmatige eigenaar exclusieve rechten op heeft. De sterkste mannetjes veroveren de beste territoria. Losers moeten het doen met minder gunstige plekken: met minder wormen of rupsen, of gevaarlijk dicht bij mensen. Het nestkastje in onze tuin bijvoorbeeld is om die reden niet alle jaren bezet. Zingen heeft nog een andere functie: een vrouwtje lokken. De meeste vogels zingen tegen vrouwtjes precies hetzelfde als tegen andere mannetjes, maar soms gebruiken ze een heel andere zang, of andere noten. Luister maar eens naar het verschil tussen de ochtend- en de avondzang van merels. Ik heb de indruk dat ze ’s ochtends agressiever zingen dan ’s avonds. Pillow-talk, zou ik bijna zeggen.

Tropische verrassing met ijs

februari 2017

Vorige week zag je opeens ijsvogels op plekken waar ze nooit eerder kwamen. Vaak op bruggetjes, want daaronder is het vaak ijsvrij. IJsvogels eten vrijwel uitsluitend vis, dus ze komen in grote problemen als de slootjes opeens dichtvriezen. Ze zoeken dan open water: een wak in de sloot, buurt, maar ook wel plassen en meren of brak water. De vorstperiode moet niet te lang duren. Een strenge winter is een hongerwinter, waar ze massaal sterven. IJsvogels hebben daar iets op gevonden: ze maken meerdere nesten per jaar zodat verliezen meteen goedgemaakt worden. Vroeger zag je ze vooral in het oosten en zuiden van ons land, waar beekjes zijn die nooit bevriezen, met steile oevers waar ze hun resthol in uitgraven. Maar door de milde winters van de laatste jaren is de ijsvogelstand enorm toegenomen. Ook in het westen van het land zijn ze geen zeldzame vogels meer. Toch is het altijd weer een tropische verrassing, zo’n ijsvogel.

Over de herkomst van de naam bestaan twee theorieën. Eén ervan zegt dat de naam is afgeleid van ijzer. De blauwe kleur van de ijsvogel zou op het ijzer lijken zoals dat er vroeger uitzag: blauwig van kleur. Ik vind de andere verklaring waarschijnlijker: de ijsvogel is de vogel die je vaak op het ijs ziet, zittend aan de rand van een wak, loerend op een visje.

Molshopen in de sneeuw 

januari 2017

Hoe reageert de natuur op plotselinge vorst? Wat vorige week opviel waren de verse molshopen in de sneeuw. Het wordt kouder dus alle wormen kruipen dieper de grond in, en de mollen gaan hen achterna.  Ze graven extra tunnels en de aarde die daarbij vrijkomt, verschijnt boven de grond, altijd vlak voor of  na een vorstperiode.

Ook veel vogels hebben last van de kou, want in bevroren ondergrond is het lastig wormen of torretjes zoeken. Spinnetjes en overwinterende insecten houden zich schuil in schors, kieren en schuren. Veel dieren sterven door voedselgebrek; alleen de sterkste individuen blijven over.

Planten hebben natuurlijk ook last van de vorst. Alles in de tuin wat niet winterhard is, sterft, tot vreugde van de tuincentra die komend voorjaar weer gretig een nieuwe voorraad planten willen leveren. Je kunt ze met doek of stro afdekken, dat helpt tegen bevriezen.

Inheemse planten beschermen zichzelf door suikers op te lossen in het water van hun cellen. Die suiker werkt als een soort antivries, waardoor de bladeren niet bevriezen. Daardoor smaken spruitjes waar de vorst overheen is gegaan lekkerder (zoeter) dan spruitjes die eerder geoogst zijn. Wijnboeren hopen zelfs op vorst: bevroren druiven vormen de basis voor de hooggewaardeerde ijswijnen: mierzoete wijnen die vaak als dessertwijnen worden gebruikt.

Meer merels

januari 2017

Vanmorgen 11 merels op het grasveld voor mijn huis aan het foerageren. 10 mannetjes en 1 vrouwtje, herkenbaar aan haar bruine verenkleed. De merels hadden het veld verdeeld, zo scheen het. Zoals passagiers in een treincoupé de maximale afstand tot elkaar bewaren, zo hadden de merels ook een eigen stuk geclaimd. Veranderde er éen van positie, dan pasten de andere ook hun “personal space” aan.

10 mannetjesmerels! Dat moesten wel alle mannetjes uit de wijk zijn.

Waarom doen die merels dat? Verderop was er toch ook een groot grasveld. Ik heb dit wel vaker opgemerkt. Was ik de enige? Navraag bij biologen en andere vogelaar leverde niets op. Het gedrag was hen niet bekend. Ook in de ornithologische literatuur staat er niets over geschreven.

Het deed me nog het meest denken aan een lek, een vaste baltsplaats die sommige vogelsoorten gebruiken. Scholeksters zie je bijvoorbeeld weleens, met de snavels naar beneden, driftig naast elkaar lopen terwijl ze hard tepiet roepen. Ondertussen worden ze gekeurd door de vrouwtjes. Ook van korhoenders en andere hoenderachtigen is zulk gedrag bekend, maar merels? Doen ze het elke ochtend? Waar? En in welke seizoen? Bovendien was er maar één vrouwtje bij. Vanaf nu ga ik datum en tijd bijhouden in mijn (papieren) natuurdagboek.

Bont op de grond

januari 2017

Van de week zag ik een wit-zwarte vogel op de grond die ik zo snel niet herkende (wat mij niet vaak overkomt). Toen ik langsreed vloog de vogel op en drukte zich tegen de boom. Een grote bonte specht: de grote witte rugvlekken waren onmiskenbaar. Ervaren vogelaars hebben genoeg aan zo’n detail: in een flits zien ze welke soort het is.

Maar een grote bonte op de straat had ik nog niet eerder gezien en is ook wel apart. Alleen groene spechten zitten vaak op de grond; die pikken in mierennesten om er mieren en mierenpoppen te zoeken.  Alle andere spechten zoeken naar spinnetjes en insecten op de boomstam, op de takken of in rottend hout. Grote bonte spechten eten in de lente ook weleens eieren of nestjongen. Ze plunderen zonder gewetensbezwaren weleens een nestkastje van kool- of pimpelmezen.

Maar in de winter is er natuurlijk minder voedsel. Dan nemen de grote bonte spechten genoegen met bessen, noten en boomzaden op de grond.

In de winter zie je ze ook weleens  op voedertafels in tuinen.  Ze zijn vooral dol op vetten en grote zaden zoals zonnebloempitten en ongepelde pinda’s. Bijvoeren helpt dus, maar gebruik pindakaas uit een potje: veel te zout.

De eerste merel

januari 2017

Zodra de dagen gaan lengen gaan de vogels te zingen. Ze wachten dus niet tot het lente is, maar reageren op veranderingen in de lichtintensiteit. Dat ligt bij alle vogels anders. Mezen beginnen vaak al half december te zingen, op zonnige dagen. Ze reageren dus ook op hogere temperaturen.

Merels en zanglijster zingen vanaf half februari. Ik weet dat vrij precies want ik heb er jarenlang lijstjes van bijgehouden. Daarom was ik verbaasd dat ik vorige week al, tussen Kerst en Oud & Nieuw, in de stad een merel hoorde zingen. Uitzonderlijk vroeg voor een merel dus, maar het was ook uitzonderlijk warm voor de tijd van het jaar. In steden is het bovendien gemiddeld 5 graden warmer dan op het platteland en ook is er meer licht. Geen wonder dus dat zo’n merel ‘in de war’ is.

Heeft het voordelen om zo vroeg te zingen? Ja: merels kunnen dan ook eerder met een nest beginnen en zo meerdere nesten per jaar grootbrengen. Natuurlijk komen die nesten niet allemaal uit. Door bestrijdingsmiddelen zijn er steeds minder insecten en ook zijn er in de stad roofvogels en katten. Maar misschien wordt het toch wel een goed jaar voor die merel en dat wens ik u ook: een gelukkig nieuwjaar, waarin u kunt genieten van alles wat groeit, bloeit, kruipt, vliegt of zwemt.

De eerdere gebundelde columns Dieren in de Stad en Natuur in de Stad zijn voor 12,95 te koop in de boekhandel.