Vrouwenschoentje

juni 2016

Als u dit leest, ben ik op zoek naar het Vrouwenschoentje. Dat is geen rekwisiet uit een Assepoester, voorstelling, maar een zeldzame orchidee. Hij groeit onder andere in de Hortus Botanicus in Leiden, maar ik vind  hem altijd in de Zwitserse Alpen. Ik geef daar vogelexcursies, nu al voor het vierde jaar.  We gaan op zoek naar Alpenvogels (beflijster, steenpatrijs, lammergier, rotskruiper, om maar wat te noemen), maar de orchideeën zijn ook het aanzien waard. De flora van het UnterEngadin, is bijzonder rijk. Hele alpenweiden zijn vergeven van de wilde bloemen. Je ziet heel goed waar er met mest wordt gewerkt – daar groeit alleen gras. Je struikelt ook over de zeldzame plantjes waarvan ik er helaas maar een paar herken. In de natte gedeelten groeien veel orchideeën waarvan ik het vrouwenschoentje het bijzonderst vind. “Schoentje” vind ik overdreven: de bloem lijkt meer op een pantoffeltje dan op een pump.

De opvallende gele lip is een insectenval: zweefvliegen, wespen en bijen komen op de geur af, maar komen bedrogen uit: ze landen op de stamper maar vinden daarop geen houvast en glijden in het schoentje. Om eruit te klimmen moeten ze langs de meeldraden en nemen zo het stuifmeel mee. Bij het volgende vrouwenschoentje komen de stuifmeelkorrels dan op de stamper terecht waardoor de bevruchting plaatsvindt.

Advertenties

Hoog en droog

juni 2017

Mooie folder van de woningcorporaties in het postvak. De Sleutels, Ons Doel en Portaal boden de Leidse politiek een Woonmanifest aan, met daarin uitgebreide aandacht voor duurzaamheid. Circulair en CO2-neutraal bouwen, een gasloos Leiden en natuurlijk ook het energieverbruik van de bestaande woningen verminderen. Dat zien we graag als Partij voor de Dieren.

In dezelfde week een bericht van De Sleutels om de meeuwenoverlast aan te pakken. Ze willen op alle daken draden spannen om te verhinderen dat meeuwen gaan nestelen, want je zal maar om 4 uur wakker worden van het gekrijs. Ons duo-raadslid Harbert van der Kaap klom onmiddellijk in de pen. Er is een veel effectievere manier om te zorgen dat meeuwen niet op de daken gaan broeden: een groen dak aanleggen. Van sedum dus. Dat is veel te nat een meeuwen. Die zitten graag hoog en droog en kiezen bij voorkeur kiezeldaken – die lijken immers op hun natuurlijke biotoop aan de kust.

Bovendien hebben groene daken nog veel meer voordelen: ze vangen veel regenwater op, zodat de wateroverlast vermindert, de hittestress in de straat worden minder, ze nemen CO2 op en zorgen voor een versterking van de biodiversiteit in de stad. Daarmee dragen groene daken dus ook weer bij aan de duurzaamheidsambities van de woningcorporaties.

Vogels tellen

juni 2017

Vorige week mijn eerste MUS-telling gedaan. Geen huismussen, mocht u dat soms denken. MUS staat voor Meetnet Urbane Soorten. Stadsvogels dus. Ik tel een gebiedje in Oegstgeest, grenzend aan Leiden. Drie tellingen per jaar, rond zonsopgang, want dan zingen de vogels het meest. Van jaar tot jaar kun je zo trends ontdekken en beschermingsmaatregelen nemen.

Ik heb vaker ‘officieel’ geteld. Eén keer heb ik zelfs meegedaan aan de tellingen van de waterrietzangers in Wit-Rusland. Die beesten moeten rond zonsondergang geteld worden, dus we waren meestal ver na middernacht thuis. Toch liep ik de volgende ochtend weer voor dag en dauw met een microfoon in het dorp rond om wielewalen, noordse nachtegalen en wat al niet op te nemen. Alleen de boeren waren al op. Een van hen vroeg wat ik aan het doen was (ze spreken daar nog een beetje Duits, nog van de oorlog). ‘Vogels tellen’, zei ik in het Wit-Russisch. Daarop barste hij in lachen uit. Of ik het wilde herhalen. Ik zei het nog maar een keer: ‘падлік птушак’. Weer bulderend gelach. Buurman erbij gehaald, toen nog een; ze bleven maar vragen en lachen. Had ik het misschien verkeerd uitgesproken? Nee, bleek bij navraag: In het Wit-Russisch is ‘vogels tellen’ een uitdrukking voor een volstrekt nutteloze bezigheid. Iets als ‘lanterfanten, niets doen’.

Geketende koningen

mei 2017

Het was een treurig gezicht en we kregen er als Partij voor de Dieren dan ook veel mails over: de uilen en roofvogels die vastgeketend zaten aan een blok hout. De winkeliersvereniging van de Luifbaan in Leiden had een evenementenbureau in de arm genomen en die had een valkenier uit de andere kant van het land gecharterd. Voor 3 euro mochten mensen met zo’n dier op de foto “om uit de kosten te komen”.

Vogels kunnen helemaal niet tegen drukte. De meeste uilen zijn overdag stekeblind en willen dan schuilen in het groen. Roofvogels zoeken bij gevaar juist het luchtruim op, maar ze zaten met een poot vast aan een houtblok – uitgerekend op Bevrijdingsdag!

In 2012 diende ik in de gemeenteraad nog een motie in om dergelijke roofvogeltentoonstellingen en shows te verbieden, maar ik kreeg geen enkele bijval. Nu is de tijdgeest veranderd. Steeds meer mensen vinden het niet meer van deze tijd om wilde dieren in een circus kunstjes te laten vertonen, of dolfijnen in een groot uitgevallen zwembad te houden. Ook roofvogels – koningen van de lucht immers! – horen niet in gevangenschap gehouden te worden.

Wie roofvogels wil zien, hoeft niet ver te zoeken. Er broeden sperwers in Cronesteyn en in de Merenwijk. En het paartje slechtvalken aan de Langegracht heeft 5 jongen. Je kunt ze volgen via de webcam.

Zwanenmossel

mei 2017

Grote mosselen langs de sloot, de meeste met kapotte schelpen: zwanenmosselen. Boven water gebracht door baggermachines en niet teruggeworpen door de werklui. Daar weten de meeuwen en reigers wel raad mee. Die prikken zo door hun dunne schelp heen. Eenmaal op de kant, sterft de zwanenmossel een wisse dood. Hij kan zich zelf maar een paar cm verplaatsen.

Zwanenmosselen zijn de grootste schelpdieren van Nederland. Ze kunnen wel 12 jaar en 20 cm worden, maar meestal halen ze dat niet. Dat baggeren is nodig, anders groeit de sloot dicht wordt die ook voor de mossel zelf onleefbaar. Ze leven op de bodem van heldere sloten en andere zoete wateren. Per dag pompen ze wel 50 liter water water door hun schelp heen en filteren er zo hun voedsel uit: algen en kleine waterdiertjes. Zo houden ze ook de sloot helder – reden dat ze ook verkocht worden in tuincentra voor de vijver thuis.

Waarom de zwanenmossel zwanenmossel heet, weet niemand. Door zwanen worden ze in elk geval niet gegeten. Wel eten ratten en muskusratten weleens een zoetwatermossel, die ze dan aan een kant openrijten en op de oever leegeten.

Er is ook een kleinere mossel die minder algemeen is: de schildersmossel. Hun schelpen zijn diep en stevig en werden door kunstschilders daarom gebruikt als natuurlijke verfbakjes.

Oranjetipje

mei 2017

Het oranjetipje is een vrij klein, wit vlindertje met opvallende oranje vleugelpunten, althans bij de mannetjes. Aan de uiterste rand zit dan weer een randje zwart. Bij de vrouwtjes ontbreken de oranje vleugeldelen. Het oranjetipje komt in heel Nederland voor maar ik zie hem het meest in bloemrijke weilanden of langs de bosrand in de duinen: het is een warmteminnaar. Jarenlang werd het oranjetipje altijd, geheel in lijn met de oranjekoorts, in de loop van april gezien, in de aanloop naar koningsdag. Maar door het warme voorjaarsweer van de laatste jaren verschijnen de mannetjes beduidend eerder, soms al eind maart. Dat kan problemen geven. De waardplanten waarvan het oranjetipje afhankelijk is, zijn dan nog niet allemaal volgroeid, zodat de rupsen niet voldoende voedsel kunnen vinden.

Het oranjetipje legt haar eieren op pinksterbloemen, look-zonder-look en andere kruisbloemigen en in tuinen ook wel op judaspenning. Eén eitje per bloem, want een rups heeft amper genoeg aan éen plant. Om voedseltekort te voorkomen heeft de natuur een feilloos mechanisme bedacht. De eitjes scheiden een geurstof af die andere vrouwtjes ervan weerhoudt nóg een eitje op de plant af te zetten. Mochten er tóch andere eitjes zijn afgezet, dan hebben die geen schijn van kans: die rupsjes worden zonder scrupules door de eerst uitgekomen rups opgegeten. De natuur is amoreel.

Kievitsbloem

mei 2017

Enthousiast mailtje van vriend en oud-collega Ed ’t Hart. Over de prachtige en zeldzame kievietsbloemen die hij en Martha hadden gezien in de Horsten. Toevallig had ik ze dezelfde week gefotografeerd in enkele Leidse parken. Begin april is altijd de tijd dat ze bloeien als het gras nog kort is zodat ze er met hun sierlijke stengels bovenuit steken.

Het is een soort hangende tulp, waarvan het ook familie is want beide horen tot de lelie-familie. Meestal zijn de bloemen paars, met een witgeblokt patroon er doorheen. Een enkele keer zie je er een geheel witte tussen. De vorm en het stoppelpatroon doet met veel goede wil denken aan een kievitsei, maar wie komt er nu in het echt nog een kievitsei tegen? En degene die er zijn, worden geroofd, las ik laatst.

De wilde kievitsbloem is hoogstwaarschijnlijk inheems, maar zeker is dat niet. Botanici hebben ze pas begin 19e eeuw ontdekt. “Een polder bij Leiden” was zelfs een van de eerste vindplaatsen. Oorspronkelijk is het een plant van natte graslanden maar door ontwatering, stadsuitbreiding en vermesting zijn er nog maar weinig van dat soort graslanden over.

Gelukkig zijn er bolletjes te koop in het tuincentrum. Als die in tuinen en parken worden aangeplant kunnen de planten gemakkelijk verwilderen. Ongetwijfeld zijn ze zo ook in de Horsten terecht gekomen, daar verwed ik een kievitsei onder.

Vogeltje-op-de-stok

mei 2017

“Weet jij hoe dat plantje heet?”, vroegen twee buurvrouwen die ik in het bos tegenkwam. Ze weten dat ik veel van vogels weet, en dat ik dan ook de planten wel zal kennen, maar helaas is dat niet zo. Ze wezen op een klein plantje met mooie paarse, afhangende bloemen dat pal naast het schelpenpad stond.  “Vogeltje-op-de-stok”, zei ik, want dat had ik indertijd op de IVN-natuurgidsencursus geleerd van Marian Kathmann, maar maar de echte naam schoot mij niet te binnen. Ik wees op de bloemen, vooral de uitgebloeide, die met enige fantasie op een zittend vogeltje lijken, of eigenlijk meer een kip op stok.

Thuis de plantengids erop nageslagen, en de plant al snel gevonden: Vingerhelmbloem, uit de papaverfamilie en dus familie van de klaproos en stinkende gouwe, al zien die er voor mij totaal verschillend uit.

Vingerhelmbloem groeit op losse, kalkachtige grond, dus dat kon kloppen naast dat schelpenpad.  In Nederland, aan de binnenduinrand, bereikt deze plant zijn meest noordelijke vindplaats. Het zaad zou dus meegevoerd kunnen zijn met de aarde die aan de schelpen kleefde om het pad te maken. Maar het zou evengoed een wilde plant kunnen zijn, die hier al eeuwenlang voorkomt. Ze bloeien vroeg, eind maart, begin april, en zetten dan zaad net voordat ze overwoekerd worden door hogere planten zoals het alomtegenwoordige fluitenkruid dat er vaak vlak naast staat.

Vleugellam

mei 2017

Sinds meer dan een jaar zit er een gewonde gans achter het Pesthuis van Naturalis. Zijn rechtervleugel zit in een vreemde hoek; de veren steken raar naar boven. Het zijn niet alleen de gebroken veren maar de hele vleugel, anders zat de gans na de rui alweer in een nieuw verenkleed. Misschien in aanvaring gekomen met een hoogspanningsmast? Verkeersslachtoffer? Aangeschoten door ganzenjagers en met zijn laatste krachten neergestreken in de stad van vluchtelingen?

Het is een brandgans. Deze lijkt wel wat op de Canadese gans, maar de Canadese is veel groter en heeft minder wit op zijn kop. Brandganzen zie je eerder in kwelders en grote polders vlak bij in de stad. Er zit een populatie van 20 a 21 stuks op de Tengnagel en verder zitten er veel tussen Zoeterwoude en Zoetermeer.

Hoe het beest daar komt, weet niemand. Naturalis zit er in elk geval niet achter en spreekt van “een logé”. De brandgans lijkt het overigens prima naar zijn zin te hebben. Hij (of zij?) heeft gezelschap van andere watervogels en leeft goed van het gras rondom het Pesthuis. De Dierenambulance adviseert dan ook de gans maar te laten lopen. In een dierenasiel of kinderboerderij zou hij misschien wel afgeslacht worden door soortgenoten. Buurtbewoners houden het dier goed in de gaten.

Chris Smeenk

april 2017

Donderdag 23 maart overleed de bekende Leidse bioloog Chris Smeenk. Hij was min of meer mijn buurman en de laatste jaren hadden we veel contact met elkaar over natuurbescherming in eigen buurt. Zijn CV leest als een spannend jongensboek. Met zijn broer op zondagochtend vogels spotten, maar als domineeszonen moesten ze vóór de preek in de dienst zijn! Biologiestudie in Leiden, (cum laude), vervolgens gepromoveerd op voedsel-ecologisch onderzoek tussen 5 Afrikaanse roofvogels, in Kenia op de horens genomen door een buffel. Zonder zijn vrouw Nellie zou hij dat niet overleefd hebben. Ze had nog nooit in een auto gereden, maar vervoerde hem naar de Flying Doctors, die hem naar het ziekenhuis in Nairobi vlogen voor een levensreddende operatie.

Terug in Nederland ging hij werken bij het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie (nu Naturalis) en specialiseerde zich in zeezoogdieren. Bij elke walvisstranding werd hij als deskundige betrokken. In totaal schreef hij honderden wetenschappelijke artikelen en enkele boeken. Hij maakte zich zorgen over de achteruitgang in biodiversiteit. Op zijn eigen rouwkaart schreef hij dan ook:  “Hij was dankbaar voor een leven in en met de natuur dat hij met velen mocht delen, maar tevens vol verdriet over de teloorgang van wat hem lief en dierbaar was.”

O ja, Chris sprak ook nog eens vloeiend Swahili en IJslands en was ook nog eens een begenadigd organist. Wat een verlies!